Home - Nieuws
Antwoord van GS op vragen Horstermeerpolder02-06-2010

VRAGEN NR. 29

Aan de leden van Provinciale Staten van Noord-Holland

Haarlem, 1juni 2010

Onderwerp: vragen van de heer mr. L.A. Wieringa (VVD)

Bijlagen: 2

De vicevoorzitter van Provinciale Staten van Noord-Holland deelt u overeenkomstig het bepaalde in artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten mede, dat op 11 mei 2010 door het lid van Provinciale Staten, de heer mr. L.A. Wieringa, de volgende vragen bij Gedeputeerde Staten zijn ingekomen.

Inleiding

In maart 2009 was er ruime, zelfs landelijke belangstelling voor de Horstermeerpolder. De Horstermeerpolder is het laagstgelegen gebied in Gooi- en Vechtstreek en staat de polder bekend als een hydrologisch uitzonderlijk gebied. Er is in september 2008 een plan Kienhuis opgesteld dat zich o.a. richt op waterberging, het tegengaan van kwel in de polder en verdroging buiten de polder. Daarnaast is een deel van het gebied bestemd voor nieuwe natuur binnen de EHS.

De bewoners trokken massaal naar het provinciehuis in Haarlem voor een bespreking in de commissie WAMEN. Zij spraken hun zorgen uit over het nut en de effecten van een deelaspect van het plan namelijk de vorming van natte natuur door permanente peilverhoging. Andere deelaspecten van het plan (ontwikkeling van nieuwe natuur en het gebruik van delen van de polder voor calamiteitenberging) zijn geen discussiepunt.

In januari 2010 werd in de commissie het advies van de ILG-commissie over de Natuurontwikkeling en waterberging Horstermeerpolder besproken. De ILG-commissie schrijft in dit advies over het vervolgproces: ‘Ten grondslag aan het advies ligt het gegeven dat het plan voor de Horstermeerpolder vast staat op hoofdlijnen, maar er ruimte is om naar bewind van zaken en in goed overleg tussen alle betrokken partijen de nadere invulling vorm te geven. Het zal vooral een kwestie zijn van een flexibele en creatieve instelling van alleen, waarbij constructief moet worden omgegaan met het wantrouwen bij bewoners en ondernemers.’

Zowel Gedeputeerde Staten als alle fracties uit de commissie WAMEN konden zich in het advies van de ILG-commissie vinden. De VVD heeft daarbij destijds aangegeven het vervolgproces nauwlettend te zullen volgen en daarbij met name te letten op de participatie met de bewoners en ondernemers.

De VVD heeft er kennis van genomen dat de nieuw verantwoordelijk gedeputeerde Meerhof onlangs een overleg heeft gehad met de bewoners in de Horstermeerpolder. Tevens is de VVD uitgenodigd voor, en aanwezig geweest bij, een bijeenkomst het NERA-gebouw in de Horstermeerpolder waar prof. dr. ir. Bart Schultz zijn eindconcept van zijn ‘Bevindingen betreffende water en waterbeheer in en rond de Horstermeer’ heeft gepresenteerd. Ook werd daar door B&E Bouwmanagement een ‘Bouwkundig deskundigen rapport’ gepresenteerd.

De inhoud van de presentaties, de bevindingen en het rapport geeft de VVD aanleiding om statenvragen te stellen.

Vragen

1 Heeft GS kennisgenomen van het eindconcept 'Bevindingen betreffende water en waterbeheer in en rond de Horstermeer' (hierna te noemen bevindingen) van prof. dr. ir. Bart Schultz?

2 Heeft GS kennisgenomen van het 'Bouwkundig deskundigen rapport' (hierna te noemen rapport) van B&E Bouwmanagement?

3 Kan GS bevestigen dat zij de bevindingen (zie vraag 1) en het rapport (zie vraag 2) nauwgezet gaat bestuderen en waar nodig betrekken bij de planontwikkeling van de Horstermeerpolder?

4 Kan GS een uitgebreide inhoudelijke reactie geven op de bevindingen en het rapport? Zo ja, welke is dat?

De VVD overweegt te verzoeken om de bevindingen en het rapport te agenderen voor bespreking in de Statencommissie WAMEN.

5 Omwille van de voortgang en de behoefte aan duidelijkheid voor alle betrokkenen, verzoekt de VVD de antwoorden op de vragen zo spoedig te formuleren opdat agendering van zowel de bevindingen, als het rapport, als de antwoorden van GS op deze vragen nog mogelijk zal zijn vóór het zomerreces. Kan GS bevestigen dat zij de antwoorden tijdig kan toezenden?

6 Wil GS bevestigen dat zij de partijen die betrokken zijn bij de planvorming in de Horstermeerpolder (uiteraard met inbegrip de Bewonersvereniging Horstermeerpolder) zal informeren over de antwoorden op deze statenvragen?

Ons antwoord aan provinciale staten luidt als volgt:

1 Ja

2 Ja

3 Ja

4 Wij kunnen op dit moment geen reactie geven op het bouwkundig rapport. Voor zover ons bekend heeft er recent geen peilverhoging plaatsgevonden. Het hoogheemraadschap doet op dit moment onderzoek naar de actuele situatie en wij zullen u informeren zodra wij resultaten hebben.

Wat betreft de bevindingen van professor Schultz hebben wij de volgende eerste reactie:

Verdroging Vechtplassen

Door het waterpeil aan de rand van de Horstermeerpolder te verhogen wordt er minder water uit de omgeving weggezogen naar de polder. Er hoeft minder water te worden ingelaten om de Vechtplassen op peil te houden en de waterkwaliteit verbetert hierdoor.

Bevinding professor Schultz: Het verschil tussen inlaat van water uit de Vecht en het IJmeer op de waterkwaliteit is niet onderzocht.

Reactie Gedeputeerde Staten: Zowel de kwaliteit van water uit de Vecht als van water uit het IJmeer is slechter dan de kwaliteit van grondwater. Belangrijke bron voor beide watertypen is de Rijn. In studies die zijn uitgevoerd is berekend hoe inlaatwater zich vanaf inlaatpunten in polders verspreid en hoe dit verandert als het waterpeil in de Horstermeerpolder wordt verhoogd.

Bevinding professor Schultz: Er worden verschillende waarden voor inlaat gegeven die uiteen lopen van 17 miljoen m3/jaar tot 30.000 m3/dag. Bovendien wordt niet aangegeven op welke periode deze waarden van toepassing zijn.

Reactie Gedeputeerde Staten: De 30.000 m3/dag is berekend voor het MER met een stationair model. Dit houdt in dat er is gerekend voor een jaargemiddelde situatie. De17 miljoen m3/jaar is berekend voor het watergebiedplan Noordelijke Vechtplassen met een niet stationair model, dat wil zeggen dat er rekening is gehouden met variatie in de tijd. Reden voor de keuze van verschillende numerieke rekenmethodes is dat het MER vooral dient om verschillende varianten ten opzichte van elkaar te vergelijken terwijl voor het watergebiedplan de variatie in tijd belangrijk is. Het op deze manier toepassen van verschillende rekenmethoden is gangbaar.

De periode van inlaat verschilt sterk per jaar. Meestal geldt dat van april tot en met september veel water moet worden ingelaten en in de andere maanden veel minder.

Bevinding professor Schultz: Het opzetten van peilen in het zuiden van de polder werkt negatief omdat schoon kwelwater dan niet meer kan worden gebruikt voor suppletie van de Kortenhoefse Plassen.

Reactie Gedeputeerde Staten: Het kwelwater in de Horstermeerpolder heeft weliswaar een betere kwaliteit dan boezemwater maar een mindere kwaliteit dan grondwater dat uit het Gooi afkomstig is. Directe vermindering van de inlaatbehoefte door vermindering van de wegzijging naar de Horstermeerpolder is dan ook gunstiger voor de waterkwaliteit dan gebruik van kwelwater uit de Horstermeerpolder voor suppletie.

Wateroverlast

Bij hevige regenval kan overtollig water uit de Ankeveense en Kortenhoefse polder tijdelijk in de Horstermeerpolder worden opgeslagen.

Bevinding professor Schultz: Er moet niet worden uitgegaan van het Maximum Scenario maar vanuit het Midden Scenario.

Reactie Gedeputeerde Staten: Doelstelling was om te streven naar maximale berging onder de randvoorwaarde dat dit niet nadelig mag zijn voor wonen en werken (de 3 D’s). Achtergrond van dit doel is dat het praktisch is om voor maximale zekerheid te kiezen zolang dit op relatief eenvoudige (een iets hogere kade om het gebied) manier kan.

Bevinding professor Schultz: Men kan zich afvragen of er bij 5 centimeter peiloverschrijding wel sprake is van een wateropgave.

Reactie Gedeputeerde Staten: Uitgangspunt voor de wateropgave zijn de afgesproken normen. Pas wanneer de wateropgave niet of alleen met grote kosten kan worden gerealiseerd wordt bepaald of normoverschrijding (en vergoeding van schade) acceptabel is.

Bevinding professor Schultz: Mocht het plan toch worden doorgezet dan kan het water het beste worden geborgen zonder opgezet peil.

Reactie Gedeputeerde Staten:Wanneer dat gebeurt wordt geen rekening gehouden met natuurdoelen (bestrijding verdroging, EHS, Natura 2000).


Arseen en chlorideproblematiek

Hoge arseen en chloride concentraties zijn een waterkwaliteitsprobleem in de Horstermeerpolder.

Bevinding professor Schultz: Niet nagegaan is wat er veranderd als het plan wordt uitgevoerd en hoe relevant deze punten dan nog zijn.

Reactie Gedeputeerde Staten:De Horstermeerpolder is een polder die geleidelijk verzoet. De concentratie chloride in het uitgeslagen water zal sneller afnemen dan nu het geval is. Het zout in de ondergrond wordt sneller uitgespoeld. Het arseengehalte zal minder worden omdat de kwel in het noorden van de polder minder wordt. Gedetailleerder kwantitatief onderzoek naar chloride en arseen is niet nodig.

Europese Kaderrichtlijn Water, Vogel en Habitatrichtlijn

Vraag is in hoeverre het project een relatie heeft met Europese richtlijnen.

Bevinding professor Schultz: Deze richtlijnen vereisen geen activiteiten indien bestaande situaties worden gehandhaafd.

Reactie Gedeputeerde Staten: Alleen handhaven van de huidige situatie is niet voldoende. Voor de volgende habitats en soorten gelden uitbreidingsdoelstellingen: kranswierwateren, meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, overgangs- en trilvenen, galigaanmoerassen, gevlekte witsnuitlibel, gestreepte waterroofkever, noordse woelmuis, roerdomp, woudaap, zwarte stern. Alleen het zuidelijk deel van de Horstermeerpolder behoort overigens tot het Vogel en Habitatrichtlijngebied.

Schade aan bebouwing en slootkanten

Vraag is of er voldoende is gekeken naar deze aspecten.

Bevinding professor Schultz: Hier is niet naar gekeken hoewel er veranderingen worden verwacht. Er moet een goede nulmeting worden gedaan en er dient een goede schaderegeling te zijn.

Reactie Gedeputeerde Staten: De stijging van de grondwaterstand en de verandering van de kwel zijn onderzocht. Grotere veranderingen treden op buiten het bebouwde gebied, aan de rand van de toekomstige natuurgebieden. Hier wordt een randsloot aangelegd om kwelwater af te vangen. Toegezegd is om in een volgend stadium gedetailleerder onderzoek te doen, als onderdeel van het watergebiedplan en ter voorbereiding van het peilbesluit. Hieruit kunnen planaanpassingen voortkomen. Ook is toegezegd dat een nulmeting wordt gedaan voordat het waterpeil wordt verhoogd en dat eventuele schade volledig wordt vergoed. Uitgangspunt blijft echter dat schade wordt voorkomen.

Nulmeting

Vraag is welke situatie maatgevend is voor de nulmeting.

Bevinding professor Schultz: Het is van belang om de nulmeting uit te voeren bij de situatie conform de keur, dat wil zeggen bij een polderpeil van -3.45 meter -NAP.

Reactie Gedeputeerde Staten: Het polderpeil is vastgelegd in een keurbesluit uit 1973 en in een aantal ontheffingen. Deze situatie is maatgevend.

5 Ja

6 Ja

 



« terug